 |
 index
|
04 Oktober 2011 | 12:55:53
 |
Albrecht Rodenbach was de oudste van 10 kinderen geboren tussen 1856 en 1872. Zijn vader Julius Rodenbach (1824-1915) kwam met zijn oom Alexander Rodenbach (de stichter van de brouwerij Rodenbach) uit een Duitse adellijke familie (uit Andernach aan de Rijn) die zich sinds 1749 te Roeselare gevestigd had. Zijn moeder Silvia de la Houttre (1834-1899), van origine een Waalse geboren te Doornik, maakte zich vanaf haar zevende het Vlaams eigen toen ze in Roeselare kwam wonen. Berten was ook een neef (kozijn) van de schrijver Georges Rodenbach die onder andere Bruges-la-Morte schreef. Zijn oom Pierre Rodenbach had achtereenvolgens gevochten met Napoleon in de veldtocht tegen de Russen, en vervolgens tegen Napoleon met de troepen van Willem van Oranje en tenslotte in de opstand tegen de Hollandse "bezetters". Zijn ooms Alexander en Constantijn Rodenbach waren in 1830 bij de eerste verkozenen van het Nationaal Congres. Tot zijn leraren aan het Klein Seminarie in Roeselare behoorden Hugo Verriest, maar ook Gustaaf Flamen. Rodenbach schreef poëzie, proza en toneelwerken. Hij droeg het Vlaams bewustzijn in Vlaanderen rond en stichtte tal van studentenbonden en toneelmaatschappijen. Hij werd katholiek opgevoed in de geest van het ultramontane katholicisme. Zoals zoveel andere jongelui uit die periode was hij ook toegetreden tot het pauselijke zoeavenkorps, die de Kerkelijke Staat moesten verdedigen tegen Giuseppe Garibaldi; hij heeft echter nooit gevochten. Vanaf het moment dat Rodenbach in 1876 naar de Katholieke Universiteit Leuven ging om rechten te studeren (in het Frans), begon hij met een andere jonge dichter, Pol de Mont, de idealen te promoten van een hernieuwd Vlaams bewustzijn onder de studenten. Hij verzette zich met name tegen het gebruik van het Frans in het onderwijs, terwijl de voertaal van de burgerbevolking Vlaams was. Hijzelf beklaagde zich erover dat hij zelf beter overweg kon "in het fransch dan in het vlaamsch". Voor hem gold "In Vlaanderen Vlaams": alleen de volkstaal was van belang en niet het "Hollands" van de "hollandsche pedanten die onze tale vermooscht hebben".[1] Dit Vlaams bewustzijn was echter een West-Vlaams taalparticularisme. Vlaamse dialecten waren volgens hem een spiegel van het pure en edele karakter van de Vlamingen en daarom het best geschikt voor de heropstanding van het Vlaamse volk. Bovendien was het Nederlands de taal van de protestanten uit het Noorden. Als vurige katholiek kon hij deze taal dus niet aanvaarden. In de laatste jaren van zijn leven nam Rodenbach afstand van zijn Vlaamse bevlogenheid, en verkeerde hij in Franstalige en liberale kringen. Rodenbach overleed op 23-jarige leeftijd in zijn geboortestad aan tuberculose. Vele generaties Vlamingen zagen in hem de dichtende "supervlaming". Dit werd zelfs gebruikt door de priester Cyriel Verschaeve die in een toespraak uit 1941 de strijdbaarheid van Rodenbach gelijkstelde met het militaire engagement voor nazi-Duitsland.
Adriaan Willaert (circa 1490 - 7 december 1562) was een innovatief Vlaams componist, dirigent, muziekleraar en kapelmeester. Hij werd geboren in Roeselare, in de deelgemeente Rumbeke, 1490. Hij studeerde in Parijs bij Jean Mouton, die zelf een volgeling van Josquin Desprez was. Hij trok rond 1515 naar Italië, zoals andere meesters uit de Lage Landen in die periode deden (bijvoorbeeld Orlandus Lassus); eerst naar Rome en dan naar Ferrara. In 1527 werd hij benoemd tot kapelmeester van de San Marco-basiliek in Venetië, wat hij zou blijven tot aan zijn dood in 1562. Hij was één van de meest veelzijdige componisten uit de Renaissance, en vanuit zijn positie in Venetië had hij een grote muzikale invloed in Europa; enkele van zijn leerlingen waren onder meer Costanzo Porta, Andrea en Giovanni Gabrieli, Clement Matot en Cypriano de Rore, die hem zou opvolgen aan de San Marco. Willaert was de grondlegger van de "Venetiaanse school" waartoe ook de Gabrieli's en later Claudio Monteverdi gerekend worden, en die de vroege Barokmuziek sterk beïnvloedde. Van Willaert zijn veel werken bekend, vooral geestelijke (150 motetten; vespers; hymnen en psalmen; acht missen) en daarnaast ook ongeveer 60 Franse chansons, 70 Italiaanse madrigalen en instrumentale composities. De Academie voor Muziek en Woord te Roeselare is naar hem vernoemd.
Peegie ontstond in de schemering van een zeer ver verleden, ontoegankelijk voor de historische wetenschap, maar overgedragen van generatie op generatie met veel humor, ontroering en oeverloos veel fantasie. De geschiedenis van mensen op en rond "Den Hoek", die van het taaie harde werk voor het dagelijks bestaan een kermis konden maken. Achiel Denys, vader van Willem, graaide op zijn "calepin" heel wat van deze pareltjes samen en vertelde ze tot soelaas en opmontering aan de Roeselaarse vluchtelingen die wegens het eindoffensief in 1918 de stad moesten ontruimen en her en der een tijdelijk onderkomen vonden.Willem Denys, het is duidelijk, had een aardje naar zijn vaartje en kreeg als roomtoet bovenop de moedermelk een voorraad humor ten geschenken, een vlotte pen en radde tong, twee twinkelende pretogen en een hart als een koekebrood voor eigen volk en stad. "Het was den derden September 1911 dat het Mevrouw Tanite behaagde ter wereld te brengen in al zijn glorie : zonder haar, zonder tanden, zonder fatsoen en al lelijk doen "Peegie van den Nieuwmarkt", rasechte en waardige afstammeling van Cyper, stamvader dezer vroede gemeente, stevig geworteld als een oase van strijd en lust in den anderzijds zo soberen en deftigen Roeselaarsen bodem." En ziedaar, Peegie werd geboetseerd en geconterfeit in Willems gulle boek dat Vlaanderen zou veroveren en vertederen. En het zaad kon gedijen...Het zaad viel inderdaad in goede aarde in dit geval in de hersenkronkels van de vereniging der Oud Scouts die, hoe "oud" ook, nog altijd borrelen van nieuwe ideeën en vondsten. En maar zoeken naar de blikvanger die Scoutsival 1976 in de kijker zou brengen.De voorzitter van die troep - hij was het gedurende elf jaar - luistert naar de naam Gilbert Bonte, is van allure en karakter een soort bulldozer die kennelijk van oordeel is dat de onvermijdelijke problemen en moeilijkheden des levens precies de vreugde ervan vormen ; eerder een "padmaker" dan een "padvinder".Drieste plannen werden gesmeed en uitgetekend om "Fonske, de drinkende student" te schaken in afspraak (natuurlijk) met de Leuvense politie. Maar burgemeester en commissaris kregen het uiteindelijk koud rond de neus en het werd duidelijk "njet" in Leuven. Het Gild Der Maten van Peegie
Juul Plastiek Op 27 maart 1914 werd Roger Slosse geboren te Krottegem (Roeselare) in een huis aan de St-Hubrechts-straat. Hij was de derde zoon van Alfons Slosse & Hortensia Van Elslander. Alfons Slosse, beter bekend als Garde Slosse, was een bonk van een kerel die van niets bang maar eveneens een volksvriend die liever een waarschuwing gaf dan een boete uitschreef. Enkele maanden na Rogers geboorte brak de Eerste Wereldoorlog uit & Garde Slosse werd gemobiliseerd waardoor Hortensia alleen instond voor de opvoeding van hun gezin. Vanaf 1920 volgde Roger lager onderwijs aan de stadsjongensschool aan de Brugsesteenweg. Daarna moest Roger van zijn vader een 'stiel' aanleren. Roger koos voor kapper en ging als leerjongen bij Jozef Vanden Broecke gaan werken. Nadien werkte Roger ook nog in een Oostends kapsalon. Later opende Roger zijn eigen kapsalon in een huis in de Noordstraat waar hij voor het eerst zijn talenten tentoonstelde als animator tijdens de Batjes. In 1938 organiseerde hij in diezelfde Noordstraat een zangwedstrijd. Tijdens de 2de Wereldoorlog werd Roger gemobiliseerd als kapper te Aarschot. Hij stond in voor de hygiëne van de soldaten. Daar leerde Roger Héléna-Carolina Morré kennen, waarmee hij op 20 januari 1940 in het huwelijk werd verbonden in de O.-L.-Vrouwkerk te Aarschot. Samen kregen zij 2 zonen; Herman & Hugo. Na de capitulatie keerde Roger terug naar zijn kapsalon te Roeselare. Maar in 1943 legde hij de kappersschaar neer & werd hoofdagent van een assurantiemaat-schappij in Izegem. Na de oorlog werd hij ook nog reiziger in fantasie-artikelen voor een Brusselse firma, daarna ook een tijdje verkoper van nepjuwelen in de marinebasis te Oostende om dan nog eens over te stappen naar het verkopen van geweven naametiketten en knopen. Na lange tijd werd hij opnieuw kappersgast in een kapsalon in de Van Iseghemlaan te Oostende om dan in een volgende fase de kost te verdienen als portier in het Miramar-hotel te Oostende. In 1952 keerde Roger tenslotte terug naar zijn geboortestad.In de beginjaren van de Roularta (opgericht in 1954) ging Roger er werken als journalist. Na een geschil verliet hij de Weekbode om aan de slag te gaan als een tv-verkoper en rond het jaar 1960 begon hij als verkoper van bromfietsen van het merk DKM. Het was in die naoorlogse jaren (nl. het najaar 1949) dat hij te Oostende in "De Volksbond" de persoonswisseling ondergaan had die van hem Juul Plastiek gemaakt heeft. Onder deze schuilnaam werd Roger in heel West-Vlaanderen een bekend figuur. Van 1956 tot 1988 verschenen zijn "Hoekskes van Juul Plastiek" wekelijks in de Weekbode, verhalen geschreven in het Roeselaarse dialect, soms met een lach, soms met een traan, soms mild maar ook soms met een strijdbare vrijzeggerstoon. Zoals reeds blijkt uit bovenstaande heeft Roger tijdens zijn levensloop verschillende jobs uitgeoefend waaronder kapper, hotelportier, cafébaas van "de 3 Molens", toneel-speler, goochelaar, paragnost, volkskundige, journalist, folklorist, hypnotiseur, humorist, schrijver, dichter en zelfs gemeenteraadslid in de jaren '60.Als schrijver heeft Roger een waaier nagelaten van boeken over volksdevotie & volks-kunde over Roeselare en zijn dialect. In de jaren na de oorlog was hij ook een bekende conférencier, die te horen was op de Bonte Avonden op Radio Kortrijk.In juni 1967 deelde Roger de planken van het podium met clown Rossi (Georges Beauprez uit Ieper).Zijn grootste trots was zijn familie; zijn zonen Herman & Hugo, zijn kleinkinderen Hugo Junior, Bamse, Yves, Alexander & Delphine, zijn achterkleinkinderen Valentine, Nicolas & Sasha.Roger is overleden te Roeselare in het Stedelijk Ziekenhuis op 12 mei 2005. Zijn overlijden bracht het verlies mee van een van de vooraanstaande figuren van Roeselare, een volksfiguur bij uitstek alsook het heengaan van een pracht van een vader, grootvader & overgrootvader. (Pepe, we missen je). Juul Plastiek.be
|
|
|
|
|
|